Meditatie Kerkblad

 

 

 

Op deze pagina kunt u uit ons kerkblad de meest recente meditatie lezen.


Levend, daar gij dood waart

‘En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart.’ (Éfeze 2 : 1)

De tekst boven dit stuk verdient duizendvoudige aandacht. Ik nodig iedere lezer uit om er zorgvuldig naar te kijken en er goed over na te denken. Behoort u tot de levenden of tot de doden?
Laat mij u vertellen wat wij allen van nature zijn. Wij zijn geestelijk dood. Dood is een sterke uitdrukking, maar niet door mij bedacht. Ik heb het woord niet zelf gekozen. De Heilige Geest leerde Paulus om het aan de Efeziërs te schrijven: ‘En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart.’ Gods Woord heeft hierin, zoals in alle andere zaken, gelijk.

Wat zou u gedacht hebben, als u de zoon van de weduwe in de poort van Naïn ontmoet zou hebben? Daar lag hij op een baar. In doodskleding gehuld, en terwijl zijn moeder in groot verdriet volgde, werd hij langzaam naar zijn graf gedragen. Ongetwijfeld zou u in één oogopslag hebben gezien wat hier aan de hand was. De jongeman was dood.
Nu zeg ik u dat de toestand van ieders ziel van nature precies zo is. God spreekt voortdurend tot hen, door gunstbewijzen, door moeilijkheden, door predikanten, door Zijn Woord. Maar zij horen Zijn stem niet. De Heere Jezus treurt over hen, wil hen overtuigen, nodigt hen, klopt op de deur van hun hart. Maar ze slaan er geen acht op. De kroon en heerlijkheid van hun bestaan, het kostbare juweel van hun onsterfelijke ziel, wordt overweldigd, geroofd en weggevoerd. Maar het raakt hen in het geheel niet. De duivel voert hen iedere dag verder mee op de brede weg die naar het verderf leidt en zij staan hem toe om hen gevangen te nemen zonder strijd. Wat verdient dus, zo vraag ik, meer de naam van de volle waarheid dan wat God zegt: wij zijn allen van nature geestelijk dood?

Hier ligt de werkelijke verklaring van veel dingen die het hart van een trouwe predikant benauwen. Velen in zijn omgeving gaan helemaal nooit naar een kerk. Velen komen zo onregelmatig, dat het duidelijk is dat zij het niet belangrijk vinden. Velen komen maar één keer op zondag, terwijl ze toch makkelijk twee maal zouden kunnen gaan. Velen gaan nooit aan het avondmaal en verschijnen doordeweeks ook nooit op enige kerkelijke bijeenkomst. En waarom? Vaak is er maar één antwoord mogelijk voor al die mensen: Ze zijn dood. Zie toch hoe droevig de toestand is van degenen die geen geestelijke verandering hebben meegemaakt. Hun hart is nog precies hetzelfde als toen zij geboren werden. Er gaapt een enorme kloof tussen hen en de hemel. Zij moeten uit de dood overgaan in het leven. En zagen ze nu het gevaar waarin ze verkeren maar! Helaas is het een verschrikkelijk kenmerk van de geestelijke dood dat hij, net als de natuurlijke dood, niet gevoeld wordt!

Laat mij u vertellen, wat ieder mens die gered wil worden, nodig heeft. Hij moet uit de dood worden opgewekt en geestelijk levend gemaakt worden. Het leven is het grootste van alle bezittingen. De overgang van dood tot het leven is de grootste van alle veranderingen. En een kleinere verandering dan deze zal nooit voldoende zijn om iemands ziel geschikt te maken voor de hemel. Jazeker! Er is niet alleen maar een beetje oplappen en verbeteren nodig, een beetje schuren en schoonmaken, een beetje plamuren en overschilderen. Het gaat om het inbrengen van iets heel nieuws, de inplanting van een nieuwe natuur, een nieuw wezen, een nieuw levensbeginsel, een nieuwe geest. Alleen dit, en niets minder dan dit, kan aan de behoeften van een mensenziel voldoen.
We hebben maar niet een nieuwe huid nodig, maar een nieuw hart. Bij de mens is nodig dat iets nieuws ingebracht wordt, iets wat hij tevoren niet had. Hij heeft een verandering nodig die zo groot is als de opstanding uit de doden: hij moet een nieuw schepsel worden. ‘Het oude moet voorbijgaan, ziet, het moet alles nieuw worden.’ Hij moet wederom geboren en uit God geboren worden. De geestelijke geboorte is voor het leven van de ziel net zo belangrijk als de natuurlijke geboorte voor het leven van het lichaam.

Eén ding is volkomen duidelijk: wij kunnen deze machtige verandering zelf niet bewerken. Het ligt niet in ons. Wij hebben geen kracht of vermogen om het te doen. Wij kunnen onze zonden veranderen, maar we kunnen onze harten niet veranderen. Wij kunnen anders gaan leven, maar we kunnen onze natuur niet vernieuwen. Wie kan dan een dode ziel levend maken? Niemand kan dat, behalve God. Alleen Degene Die in Adams neusgaten de adem van het leven blies, kan van een dode zondaar een levende christen maken. Alleen Hij Die de wereld uit niets geschapen heeft, kan van de mens een nieuwe schepping maken.

Tot iedereen die nu nog dood is in zijn zonden zeg ik: Waarom wilt u sterven? Is het loon van de zonde zo groot en goed, dat u het niet kunt opgeven? Geeft de wereld zo veel bevrediging dat u die niet in de steek kunt laten? Is de dienst van satan zo plezierig dat u en hij nooit meer kunnen scheiden? Is de hemel dan zo armzalig dat die het niet waard is om gezocht te worden? Is uw ziel u zo weinig waard, dat u er geen strijd voor over hebt om hem te laten redden? O, keer nog om! Keer nog om voordat het te laat is! God wil niet dat u omkomt. ‘Zo waarachtig als Ik leef,’ zegt Hij, ‘Ik heb geen lust aan de dood des stervenden.’ Jezus heeft u lief en het doet Hem verdriet om uw dwaasheid te zien. Hij weende over het verdorven Jeruzalem en zei: ‘Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen... en gijlieden hebt niet gewild.’ Zeker, als u verloren gaat, zal uw bloed op uw eigen hoofd zijn. Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.

J.C. Ryle (1816-1900)
Uit: Het hart van het Christelijk geloof

 

 

Uit ons Kerkblad juli - september 2019